woensdag 14 maart 2018


De school is meer dan een gebouw

De snel veranderende arbeidsmarkt vraagt om adaptief beroepsonderwijs. Dit stelt andere eisen aan de (fysieke) leeromgeving.

Het stimuleringsfonds voor creatieve industrie heeft samen met OCW een programma ingericht, waarin ontwerpers, architecten en creative designers worden uitgenodigd mee te denken; zie http://stimuleringsfonds.nl/nl/actueel/nieuws/over_leeromgeving_van_de_toekomst/
 
In het kader van hun Open Oproep flexibiliteit van de leeromgeving heeft een viertal mbo instellingen hun (ruimtelijke) vraagstuk ingebracht. Ik mocht zitting nemen in de selectiecommissie om te kijken naar de verbinding met het bedrijfsleven.
 
Het is leuk om te zien hoeveel diversiteit en originaliteit zo’n oproep oplevert, hoe verschillende ontwerpers het concept ‘school’ benaderen en hoe breed of hoe smal het begrip leeromgeving wordt opgevat. De meest vooruitstrevende inzendingen werden gekenmerkt door een grote mate van verwevenheid tussen de school en haar omgeving. Hier organiseert het beroepsonderwijs een gezamenlijk leerproces voor álle betrokkenen.

Wat dat betreft liggen ontwerpen en leren in elkaars verlengde. Beide zijn gebaat bij (creatieve) ruimte, waarin projecten en experimenten voeding geven aan ontwerpend leren. Dit verhoudt zich vaak moeizaam tot roosters, lesuren en… gebouwen.
 
De kracht van de inbreng van ontwerpers was om verschillende stakeholders te betrekken via een creatief ontwerpproces, waarbij de eisen van de gebruikers leidend zijn voor de functionaliteit van het (school)gebouw. Koop een auto op de sloop of investeer in een hololens en ga met bedrijven uitzoeken hoe deze in te zetten in de praktijk. Doe het vooral samen en bespreek wat je hebt geleerd; leerzaam voor student, docent en bedrijven!

Experimenteel project onderwijs is daarmee een noodzakelijk onderdeel van adaptief beroepsonderwijs. Hiermee trekt het beroepsonderwijs weer uit haar gebouwen en laat zich uitdrukkelijk zien als product van de samenleving.  
 
Reageren op deze column?
Stuur een bericht aan Bram Loog: loogiz@me.com

maandag 22 januari 2018


Stagevergoeding; loon naar werken? 


In de afgelopen recessie is het aantal klachten over uitbuiting onder de noemer van een stage enorm toegenomen. Er zijn afgelopen zomer zelfs kamervragen over gesteld: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20162017-2375.html Deze signalen waren voor CNV Jongeren aanleiding om de kwaliteit van de stage te agenderen in hun jongerenpanel.
 
Nu is de ene stage de andere niet. Onderwijs en bedrijfsleven hebben voor het mbo kwaliteitsstandaarden voor de beroepspraktijkvorming (bpv) afgesproken. Hiermee is de kwaliteit van de bpv geborgd en worden uitwassen voorkomen. Ik was uitgenodigd bij het CNV jongerenpanel om te spreken over de kwaliteit van stages in het mbo: http://www.cnvjongeren.nl/nieuws/jongerenpanel-5-kansrijke-ideeen-stagevergoedingen/. Een belangrijk vraagstuk voor CNV bleek de stagevergoeding, een onderwerp dat ook in Europa hoog op de agenda staat: http://nu.nl/carriere/4951349/europese-commissie-pleit-stagevergoeding.html
Over de stagevergoeding zijn geen mbo-brede afspraken gemaakt. Een standaard vergoeding is lastig te bepalen, omdat situaties en omstandigheden verschillen.

Het uitgangspunt van een stage is en blijft dat leren centraal staat. In de meeste stages ontvangt een student een stagevergoeding in de vorm van een onkostenvergoeding. De hoogte hiervan varieert en wordt bepaald door belastingregels, het mag niet te veel lijken op een vergoeding voor arbeid. Daarnaast kennen we de leerbaan, waarbij de student in dienst is en loon ontvangt voor de geleverde arbeid. De student groeit in zijn vak en de werkgever heeft baat bij de stijgende arbeidsproductiviteit.

Onder invloed van steeds flexibeler vormen van onderwijs, vervaagt het onderscheid tussen leerbaan en stage, zoals in BOL-stages met een groot praktijkdeel. Er wordt een grotere inspanning gevraagd van een BOL-student, zonder dat hier een hogere stagevergoeding of loon tegenover staat. Is dit te verantwoorden als leertijd? Of is de drijfveer hierbij toch vooral goedkope arbeid?

De student betaalt schoolgeld, werkt vrijwel fulltime zonder reële beloning en kan bovendien geen bijbaan doen om zijn telefoonabo, uitgaanspatroon en kleding te kunnen betalen. Maar je hoort maar weinig BOL stagiairs klagen, want dat brengt ze in een lastige positie ten opzichte van zowel school als leerbedrijf. Voor zijn diploma is de student immers afhankelijk van beide.

Zo bezien is de vraag van CNV Jongeren naar een stagevergoeding meer dan actueel, ook voor het mbo, want de gevraagde inspanning van een student lijkt onbegrensd. Wanneer is een stage een investering in jezelf en wanneer een vorm van goedkope arbeid? Die grens is tot op heden voornamelijk fiscaal begrensd, maar de echte vraag is: wat mag je van een student vragen onder het mom van investeren in jezelf ? Het is goed dat het CNV dit vraagstuk agendeert.

Reageren op deze column?

Stuur een bericht aan Bram Loog: loogiz@me.com

dinsdag 19 december 2017


Beroepsonderwijs in Europa; Education AND Employment


In de laatste week van november stond in Europa het beroepsonderwijs centraal. Met de VET Skills Week wil het DG Employment van de Europese Commissie (EC) laten zien hoe belangrijk het mbo is voor de economie en maatschappij.

In Brussel is veel waardering voor het Nederlandse beroepsonderwijs, waarin onderwijs en bedrijfsleven intensief samenwerken. Zo ontving Da Vinci College de Innovative VET Award, de prijs voor de meest innovatieve school voor beroepsonderwijs in Europa. In het rapport roemt de jury het hybride onderwijsconcept met grote betrokkenheid van het bedrijfsleven.

In Nederland werd in het kader van de VET Skills Week de Dag van het mbo georganiseerd, met MBO City, de Verkiezing beste leerbedrijf en het Ambassadeursgala.

MBO City had een goed gevuld programma met vele interessante sprekers. Toch was het vooral een feestje van en voor het onderwijs. Het gros van de presentaties gingen over didactiek en verantwoording. Er was op mbo city helaas maar weinig te zien van de zo geroemde samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Tegelijkertijd is dit misschien wel HET grootste vraagstuk van dit moment: hoe maken we beroepsonderwijs in co-creatie?

Ik was gastheer van een sessie over de kansen van samenwerking in de bpv. Veel van de aanwezigen willen hun studenten een goede praktijkopleiding geven, maar zoeken naar manieren hoe. Een prachtige kans voor SBB om hierin te mogen meedenken, omdat in de samenwerking met leerbedrijven ook de sleutel ligt naar leven lang ontwikkelen.

Het is niet voor niets dat de EC het mbo heeft belegd binnen het domein van DG Employment (ipv DG Education). Eurocommissaris Marianne Thyssen noemde het mbo een ‘top priority’ als Europa serieus werk wil maken van investeren in mensen. En dat vraagt meer dan Education alleen.

Het is daarom veelbelovend dat ook de EC ziet dat beroepsonderwijs moet worden geplaatst in het kader van werk en beroepen. Laten we dit voorbeeld in Nederland volgen, door om te beginnen de B van het beroep centraal te zetten in het beroepsonderwijs.


Zie ook het verslag van mbo city:


Zie ook het verslag van de European skills week:


 

 

 

maandag 11 december 2017


Het mbo legt de basis voor leven lang leren

Leven lang leren staat weer volop in de belangstelling de laatste maanden. De noodzaak van het blijven leren tijdens de loopbaan lijkt dan ook onbetwist. Toch slagen we er met elkaar maar moeizaam in om het leven lang leren daadwerkelijk samen te organiseren.

Wie tegenwoordig op latere leeftijd (terug) de schoolbanken induikt, is allang geen uitzondering meer. Nederland behoort namelijk tot de best presterende landen van Europa op het gebied van leven lang leren. Klinkt goed toch? Die vijfde plek in het Europese klassement is inderdaad iets om trots op te zijn. Toch is er een ‘maar’. Het aantal deelnemers stijgt de afgelopen jaren namelijk niet en zijn het vooral de hoger opgeleiden die de schoolbanken weten terug te vinden. Middelbaar opgeleiden lopen hierin flink achter. En dat terwijl het initiële beroepsonderwijs in Nederland beschikt over een uitstekende basis voor leven lange leren met de intensieve samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven .
Het verschil in deelname is deels te verklaren door de andere leervoorkeuren van middelbaar opgeleiden. Natuurlijk is de ene mbo’er de andere niet en zijn er ook binnen deze groep grote verschillen, maar veel mbo’ers leren graag door te doen. Bij het organiseren van leren in het initiële en post-initiële onderwijs is het belangrijk om rekening te houden met die praktische instelling. Dat is bij de vorming van de Wet Educatie Beroepsonderwijs reden geweest om de beroepspraktijkvorming een verplicht onderdeel te maken van het middelbaar beroepsonderwijs.

Tijdens de bpv worden studenten op de werkplek opgeleid tot beginnend beroepsbeoefenaar. Dit is niet alleen leerzaam voor de student. In potentie is de bpv ook een prachtige leerschool voor scholen en leerbedrijven. De school leert praktijkleren centraal te zetten in de opleiding en het leerbedrijf legt in de bpv de basis voor een praktische leercultuur. Daarmee is de bpv ook een ideale opstap om een leven lang leren voor werknemers via werkplekleren vorm te geven. Immers, alleen met oog voor de leervoorkeuren van werknemers kunnen we leven lang leren laten slagen.


Met dank aan: Jorien Fase, beleidsadviseur bij SBB: j.fase@s-bb.nl
 
Zie ook de Masterscriptie van Jorien Fase: Leven Lang Leren; mij een zorg 

dinsdag 21 november 2017

Uitvaller of   afvaller?


Onlangs was ik in Roemenië voor een studiebezoek over de kwaliteit van werkplekleren in het beroepsonderwijs. De delegatie bestond uit vertegenwoordigers uit Finland, Griekenland en Italië. We waren te gast bij de German Vocational School Kronstadt in Braşov. Roemenië wil met het bezoek aan deze bedrijfsschool laten zien dat ze werken aan een modern en responsief beroepsonderwijs van internationale klasse. Daarbij is de vraag van de arbeidsmarkt leidend met het Duitse duale model als voorbeeld.

De bedrijfsschool bleek prachtig uitgerust met praktijkruimtes vol moderne machines. Studenten leren op de werkvloer over kwaliteitsstandaarden, productiemethodes en veiligheidsvoorschriften van de multinational. Het Duitse moederbedrijf heeft de praktijkopleiders opgeleid. Het leerbedrijf en de school bespreken samen de vaktechnische scholing en didactische ondersteuning. Kortom, een schoolvoorbeeld, ook voor Nederlandse begrippen. En toch wringt er iets.
Want dit schoolvoorbeeld van beroepsonderwijs was slechts toegankelijk voor de ‘happy few’. In een land waar de kansen op de arbeidsmarkt beperkt zijn, komen topleerlingen uit alle hoeken van het land om een assessment te mogen doen. Een succesvol assessment is een garantie op een baan en een mooie carrière. De selectie aan de poort zorgt ervoor dat het aantal uitvallers tijdens de opleiding laag is.
Op mijn vraag naar het aantal uitvallers was “Zero drop-outs” het trotse antwoord, volledig in lijn met het Europese streven om uitval te beperken en daarmee jeugdwerkloosheid te voorkomen. Maar wat is uitval? Van de 1300 aanmeldingen, kunnen er slechts 800 leerlingen terecht op deze school. De afvallers rest een traditionele beroepsopleiding zonder enig contact met de beroepspraktijk. Wat is hun kans op een baan? Uitvaller of afvaller maakt zo bezien geen verschil.
Gedwongen door economische omstandigheden is het internationale bedrijfsleven in Roemenië een belangrijke en bepalende factor in het beroepsponderwijs aan het worden. Dit heeft positieve effecten voor de kwaliteit van het beroepsonderwijs, maar een tweedeling is het gevolg.
Het bezoek aan Roemenië deed me eens te meer beseffen dat we trots mogen zijn op ons beroepsonderwijs met ruim 230.000 erkende leerbedrijven, waardoor we álle studenten in het mbo de beste praktijkopleiding kunnen geven met kans op een baan.
Lees hier meer over de German Vocational School in Braşov, Roemenië

dinsdag 14 november 2017

Leren van experimenteren in het beroepsonderwijs

De kennissamenleving draait voor een belangrijk deel op het lerend vermogen en de slimme innovaties van het MKB. Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is de belangrijkste kweekvijver voor vakmensen in het MKB. Om de aansluiting tussen onderwijs en bedrijfsleven te verbeteren subsidieert de overheid experimenten van publiek-private samenwerking in het mbo waar we nog veel van kunnen leren. Maar doen we dat ook?
 
Veel innovatie in het onderwijs is gericht op een betere aansluiting op de arbeidsmarkt. Ook de beleidsmaatregelen van de overheid zijn daarop gericht. Het doel: een flexibel en responsief onderwijssysteem; competentiegericht en met focus op vakmanschap. Al zo’n 25 jaar is het beleid om de overheidsbekostiging van instituties af te bouwen, met publiek-private samenwerking als toverwoord. Samenwerking en innovatie worden aangejaagd door middel van ‘schoonheidswedstrijden’, waarin de beste voorstellen kunnen rekenen op een flinke zak geld.
Zo’n gewonnen tender levert een prachtig affiche op. Scholen, lokale bedrijven, sectoren, regionale overheden en ministeries plukken daar de vruchten van en pronken graag met het succes. Zo zijn al een aantal mooie pareltjes van regionale samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Voor de innovatieve en klantgerichte beroepsopleidingen die hieruit voortkomen is veel media-aandacht. Dat is winst voor een type onderwijs waarin veel moois gebeurt, maar dat te vaak wordt vergeten.

Leren op systeemniveau kan veel beter

Helaas moeten we na jaren experimenteren ook concluderen dat we in al die tijd een belangrijke opbrengst missen. Want waar de student, opleiding, school, bedrijf of regio ongetwijfeld veel heeft geleerd, zijn we op systeemniveau niet veel wijzer geworden. Waarom is het ene experiment een succes, terwijl de samenwerking ergens anders voortijdig wordt beëindigd? Wat zijn succes- en faalfactoren van regionale samenwerking? Welke onderscheidende kenmerken maken het verschil? Kortom, wat hebben we op systeemniveau geleerd? Waar de student, opleiding, school, bedrijf of regio ongetwijfeld veel heeft geleerd, zijn we op systeemniveau niet veel wijzer geworden van al dat experimenteren?  

Maatschappelijk belang onder tapijt

Ondanks alle pleidooien van de afgelopen jaren voor een kennissamenleving, een leven lang leren en lerende organisaties, is er maar weinig aandacht voor de opbrengsten van deze experimenten. Hoe weet de overheid of het ingezette beleid daadwerkelijk heeft bereikt wat werd beoogd?Hoe weet de overheid of het ingezette beleid daadwerkelijk heeft bereikt wat werd beoogd? Beleid wordt toch niet gemaakt voor louter promotionele doeleinden? Beleidsevaluatie is logischerwijs niet de hoofdzorg voor beleidsmakers en deelnemende partijen, maar dat ligt anders voor de maatschappij als geheel. Wanneer opbrengsten van experimenten alleen nog maar ten goede komen aan direct betrokkenen, wordt het belang van de belastingbetaler en de maatschappij onder het tapijt geveegd. Het experiment is immers aangegaan vanuit de belofte op waardevolle input voor beleidsinnovatie en beoogt daarmee een opbrengst groter dan de effecten voor de direct betrokkenen alleen.

Overheid als facilitator van leren in plaats van suikeroom

De bezuinigingen op de kennisinfrastructuur van het beroepsonderwijs van de afgelopen jaren hebben tot gevolg dat er steeds minder onderzoek wordt gedaan naar de effecten van (beleids)experimenten. Dit staat een lerende cultuur van het stelsel in de weg. Daarom moeten overheid, beroepsonderwijs en het georganiseerd bedrijfsleven de handen ineenslaan om van onze kennissamenleving ook een lerende economie te maken.
De overheid onderkent met haar beleid gericht op experimenten de noodzaak tot leren, maar vergeet daarbij te investeren in een feedbackloop. De overheid onderkent met haar beleid gericht op experimenten de noodzaak tot leren, maar vergeet daarbij te investeren in een feedbackloop. waardoor beleid kan worden bijgesteld op basis van de opbrengsten van het experiment. Deze is noodzakelijk om tot zinvolle beleidsinnovatie te komen. De klassieke achteraf-evaluatie volstaat niet. Juist nu de centrale overheid bij wijze van experiment steeds meer gelden decentraal in de regio investeert, kunnen we er niet omheen leren op systeemniveau te organiseren. In een wereld waarin steeds minder overeenstemming is over waarden en feiten, hebben overheid en maatschappij belang bij een lerende aanpak waarbij de overheid een facilitator van leren is in plaats van een suikeroom.

Deze column is op 23 maart 2017 gepubliceerd als gastcolumn voor Kennisland